De 15 stappen van de broekenmeter
De weegschaal is niet de enige manier om verandering te zien. Kies één broek zonder elastische taille die je goed kent en pas haar steeds onder vergelijkbare omstandigheden. Gebruik deze schaal als speelse maar concrete referentie.
Zone 1: omhoog krijgen
- Bij de enkels: verder omhoog lukt niet.
- Tot de bovenbenen: de broek komt over de knieën, maar blijft bij de dijen steken.
- Over de billen: de broek komt boven, alleen blijft de tailleband ver open.
- De open V: de broek zit op zijn plek, maar knoop en knoopsgat liggen nog ver uit elkaar.
- Met kracht dicht: de knoop sluit, maar zitten is pijnlijk of onmogelijk.
Zone 2: van strak naar passend
- Dicht maar knellend: staan gaat, zitten geeft duidelijke druk rond de taille.
- De afdruk: je kunt de broek een dag dragen, maar daarna staan de randen in je huid.
- Precies goed: geen knelling en geen afzakken. Je merkt de tailleband nauwelijks.
Zone 3: van ruim naar te groot
- Twee duimen ruimte: je steekt beide duimen comfortabel achter de tailleband.
- Een duidelijke kier: je trekt de band twee tot drie centimeter van je buik af.
- Draaibaar: de dichtgeknoopte broek schuift zonder moeite naar links en rechts.
- Een maat kleiner proberen: de stof plooit en in een winkel zou je ook de volgende maat pakken.
- Riem noodzakelijk: tijdens stevig lopen moet je de broek steeds optrekken.
- Dicht uit te trekken: je schuift haar over je heupen zonder knoop of rits te openen.
- Recht naar de vloer: zonder riem blijft de broek niet meer hangen.
Stof kan rekken of krimpen, dus één pasmoment bewijst weinig. Gebruik steeds dezelfde broek en kijk naar de ontwikkeling over weken. Combineer dit desgewenst met foto’s, tailleomtrek en een gewichtsgemiddelde.